Nieuws

25 januari 2010
4e clip Spiegeljongen

De 4 clip van Spiegeljongen is vanaf vandaag te zien.

Tot een week voor de verschijning van de roman worden hoogtepunten wekelijks in beeld en gesproken woord gevat.


De trailer van Spiegeljongen zal bestaan uit vijf clips, waarvan de laatste getoond wordt op 1 februari. Vanaf deze datum is de trailer compleet. Vanaf 9 februari is het boek verkrijgbaar.

Spiegeljongen van Floortje Zwigtman is het laatste deel van de trilogie Een Groene Bloem.


De clips zijn gemaakt door Jan Heuves. 


Deel 4 van 5 is een sfeertekening van het onderstaande fragment uit hoofdstuk 29.

 

 

Mijn dodensprong duurde welgeteld één seconde. Met een ontnuchterende smak kwam ik op de straatstenen terecht. Een vlammende pijn deed me naar mijn enkel grijpen. Ik rolde door tot ik tegen de stoeprand opbotste en daar bleef liggen. Even was er niets anders dan pijn, toen gaf ik over, een zure guts absint-vissoep, volgens authentiek Frans recept. Ik hees mezelf vloekend op de stoep. De helse kermis tussen de wolken was verdwenen en ik zag dat ik halverwege een van Parijs’ lange, onpersoonlijke boulevards zat, verfomfaaid, met een zere enkel, maar zeker niet te pletter geslagen. 


            De pijn had een abrupt einde aan mijn drankroes gemaakt. Mijn hoofd leek bedrieglijk helder. Marthes koets verdween in de verte. Niemand moest gemerkt hebben dat ik gesprongen was en met mijn pijnlijke enkel was er geen sprake van dat ik ze kon inhalen. 

        De voorbijgangers op het trottoir liepen met een wijde boog om me heen. Het zou geen zin hebben hen om hulp te vragen. Ook een Parijzenaar herkende een gek als hij er een voor zich zag.

            Voorzichtig betastte ik mijn enkel. Hij leek niet gebroken te zijn, maar opstaan was een experiment dat ik liever nog even uitstelde. Ik bleef op de stoeprand zitten en keek naar de langs rollende rijtuigwielen en de schoenen van de voorbijgangers. Ze hadden me zelden méér geïnteresseerd. Oscar Wilde had ooit iets gezegd over de manier waarop absint je naar dingen deed kijken, maar ik was vergeten wat.


            De tijd verstreek en de boulevard werd stiller. De laatste drinkers vertrokken naar de nachtcafés in de zijstraten. De schimmen die overbleven, maakten een eenzame, verloren indruk. Ik zag een kat aan een papieren zak snuffelen die iemand op straat had gegooid. Een jongeman haastte zich naar een van de vespasiennes die op regelmatige afstanden langs de boulevard stonden, zijn voetstappen echoënd in de lege straat.

            Ik schoof ongemakkelijk heen en weer op de koude stoeprand. Mijn blaas maakte me erop attent dat niet alle drank de kortste weg naar buiten had genomen. Ik moest hoognodig pissen. De pijn verbijtend hees ik mezelf op aan een lantaarnpaal en hinkte naar het urinoir. Het ging lang niet snel genoeg en het geklater in de pisbak hielp ook al niet. Tegen de tijd dat ik mijn broek opengeknoopt had, had ik spijt dat ik vanavond mijn beste pak aangedaan had. Ik vloekte, sloeg de warme pis van mijn hand en sproeide alle kanten op.

            Naast me hoorde ik gegrinnik. De Franse jongen was klaar en knoopte zijn broek dicht. Hij knikte me toe, wierp een terloopse, keurende blik op wat ik in mijn hand hield en zei iets waarvan ik de vertaling nooit in Vincents woordenboeken had kunnen vinden.

            Voor zover ik het begreep, betekende het ongeveer hetzelfde als ‘piss proud’, het woord dat Gloria en ik gebruikten voor een stijve als je pissen moest.

            Ik grijnsde dwaas. ‘Pipi. C’est tout,’ zei ik tegen hem, want ik wist wat hij was en wat hij wilde.

            De jongen knikte, maar bleef naar me staan kijken, wat me ergerde, tot ik besefte dat ik hetzelfde deed.

            Hij had iets bekends en het irriteerde me dat ik niet wist wat het was.

            Zo op het oog was hij niet anders dan andere hoeren. Ik herkende de ingestudeerde maniertjes, het slechte acteerwerk dat bij de rol hoorde, de verplichte onechtheid: Schaamt u zich niet voor uw buik, meneer. Ik ben dól op dikke mannen. Ik word wíld van uw vette pens, meneer!

            Maar als ik het gezicht achter het masker bestudeerde, zag ik verlegen blauwe ogen, zachte, kinderlijk ronde wangen en een mond waarvan ik zeker wist dat ik hem al eens gekust had.

            Een vertrouwd gevoel, deels ontroering, deels tederheid, deels pure, onverdunde lust, verspreidde zich door mijn lichaam als de warmte van een omhelzing.

            Mis je het niet? 

            Lieve god, wat miste ik het! 



     Zijn veilige armen, zijn adem tegen mijn hals, dat zachte, bange lichaam dat ik elke keer weer moest veroveren met mijn handen.


            De gelaatstrekken van de jongen verdwenen achter een waas van tranen. Hij had iedereen kunnen zijn. Maar vannacht was hij wie ik wilde dat hij was.

            Ik kneep af, knoopte mijn gulp dicht en begon koortsachtig in mijn zakken te zoeken naar het geld dat ik vanmorgen in het badhuis had uitgespaard.

            ‘Heb je een kamer?’ vroeg ik, in mijn haast vergetend dat hij geen Engels verstond. ‘Ik wil het niet hier doen. Heb je een eigen bed?’

            ‘Bed? Ka-meur? Chambre?’ gokte hij. 

            Ik knikte, vond mijn geld en drukte het hem in de hand.

Oui, j’ai une chambre à moi.’ Een verheugde lach deed zijn gezicht oplichten. Misschien was het het geld, waarvan ik niet wist of het veel of weinig was, misschien het feit dat ik zoveel jonger was dan zijn gebruikelijke klanten.


            Ik hinkte het urinoir uit. Eenmaal buiten liet hij me op zijn arm steunen. 

            ‘Wat is er met jou gebeurd?’ vroeg hij in het Frans.  

            ‘Je hebt me uit de hemel gegooid,’ antwoordde ik. ‘Maar nu ben ik weer in orde.’ 


De jongen – ik had hem niet naar zijn naam gevraagd – nam me mee naar een kamer die voor mijn gevoel op de vijftigste verdieping van een logementsgebouw lag. Hij hielp me de trappen op en ik genoot, voor zover de pijn in mijn enkel het toestond, van zijn lichamelijke nabijheid. Hij was warm, zacht, niet te mager, precies zoals ik hem wilde hebben.

            Ik leunde tegen hem aan, terwijl hij naar zijn sleutel zocht.


            ‘Mon ange, zeg dat: “mon ange”,’ fluisterde ik in zijn oor.

            Hij glimlachte braaf, maar besteedde allang geen aandacht meer aan de onzin die ik uitkraamde. Ik had de hele weg hierheen onophoudelijk in het Engels tegen hem gepraat, omdat ik wist dat ik de juiste Franse woorden niet zou hebben kunnen vinden. En omdat het niet nodig was dat hij me verstond. Hij hoefde niet te weten welke rol ik hem had toebedeeld.

            ‘Mon ange, zo noemde je me,’ ratelde ik door. ‘Waarom? Dat heb ik je nooit gevraagd. Ik dacht dat het was omdat je van me hield. Maar je was bang voor me. Bang. Ba–’

Mijn stem stokte. De jongen had de deur geopend en in het zwakke licht dat van de overloop naar binnen viel, stapte een cordon donkere, dreigende figuren op ons af.

            Ik greep de jongen met een waarschuwende kreet bij zijn arm, maar hij schudde mijn hand af, lachte, ging naar binnen en stak een kaars aan.

            ‘Que dis-tu de mes miroirs?’ vroeg hij.


            ‘Spiegels?’

 

            ‘Regarde bien!’


            Hij ging met de kaars in zijn hand in het midden van de kamer staan. Om hem heen verscheen een volmaakte kring van vlammetjes, weerspiegeld van spiegel in spiegel in spiegel.

            Aan alle wanden van de kleine kamer waren spiegels opgehangen. Het was een verzameling waar hij jaren over gedaan moest hebben: oude, gebroken ongeluksbrengers in gipsen lijsten; spiegels die niet meer dan scherven waren, maar ook prachtige, antieke exemplaren met mahoniehouten lijsten, krullen en verguldsel; spiegels in de vorm van een lier of gekroond met een adelaar; kleine, ronde spiegels als kristallen bollen; blinde spiegels waarvan het glas aangetast leek door grauwe staar en spiegels die op strategische hoeken tegen de muur en het plafond geplaatst waren. In elke spiegel was het ijzeren ledikant te zien dat tegen de achterwand geschoven was.


            ‘Ze noemen me le Miroitier,’ stelde de jongen zich met een glimp van trots voor. ‘Vind je het mooi, de kamer?’ 
 

            Ik floot waarderend, al maakte de eindeloze weerkaatsing van mijn eigen gezicht me duizelig. Honderden Adrians, genoeg om te vergeten wie de echte was.


            Maar wat maakte het uit als ik mezelf niet was?


            Hij was zichzelf ook niet, dat had ik besloten.


            Ik ging op de rand van het ledikant zitten.


            ‘Kom,’ zei ik.

 

 

Nieuws

30 augustus 2010

Appie Baantjer, alias De C.o.c.k., is niet meer

Op zondag 29 augustus is, na een kortstondig ziekbed, schrijver en oud-rechercheur Albert Cornelis (Appie) Baantjer overleden. Appie Baantjer is 86 jaar geworden.

19 augustus 2010

Monique Moossdorff 1964-2010

In de nacht van 12 op 13 augustus is tot ons groot verdriet en geheel onverwacht onze allerliefste, daadkrachtige collega Monique Moossdorff overleden. Monique was 46 jaar. Haar dood is niet alleen een groot verlies voor De Fontein|Tirion, maar voor het hele boekenvak.

26 juli 2010

R.J. Ellory wint 'Crime Novel Of The Year'

Zijn thriller A SIMPLE ACT OF VIOLENCE is op het Crime Festival van Harrogate op 22 juli 2010 gekozen tot Crime Novel Of The Year.

1 juli 2010

Floortje Zwigtman te gast bij Kunststof radio

Floortje Zwigtman was gisteren te gast bij Kunststof radio van de NPS. 

29 juni 2010

Zelf gebreid genomineerd voor Willem Wilmink-prijs

Zelf gebreid uit de bundel Mijn zusje achter het behang van Bette Westera is genomineerd voor de Willem Wilmink-prijs 2010.

Volgende