Bestel nu bij Bol.com:
Een volmaakte vendetta
Een volmaakte vendetta
-

 

Een volmaakte vendetta

R.J. Ellory

ISBN 978 90 261 2703 8

€ 22,95 - 544 pagina's, paperback

Wanneer Catherine Ducane verdwijnt in hartje New Orleans duikt de lokale politie meteen boven op de zaak – het gaat namelijk om de dochter van de gouverneur van Louisiana. Maar algauw neemt de zaak een bizarre wending. Nadat het gruwelijk toegetakelde lijk van Catherines lijfwacht wordt aangetroffen in de kofferbak van een oldsmobile, neemt de ontvoerder contact op met de politie. Hij vraagt niet om losgeld, maar eist een gesprek met Ray Hartmann, een onbeduidende functionaris van een in Washington gevestigd team dat onderzoek doet naar georganiseerde misdaad. 

Hartmann reist af naar het diepe zuiden, terwijl hij zich afvraagt waarom de mysterieuze ontvoerder, een oude Cubaan met de naam Ernesto Perez, juist hém heeft uitgekozen om zijn levensverhaal aan te vertellen. Pas wanneer hij zich realiseert dat Perez een van de meest gevreesde huurmoordenaars is die sinds de jaren vijftig voor de maffia hebben gewerkt, begint hem iets te dagen. Maar tegen de tijd dat de stukjes van de puzzel op hun plaats beginnen te vallen, is het al te laat.

Een volmaakte vendetta is zowel een adembenemende literaire vertelling over het leven van een van de kopstukken van de Italiaanse maffia – een verhaal dat vijf decennia omspant en de lezer van Cuba naar Las Vegas en van New Orleans naar Chicago voert – als een krachtige thriller over woede, vergelding, passie en verlies.

‘Dit is zonder enige twijfel het beste maffiaverhaal sinds The Godfather, en Ernesto Perez is een van de meest intrigerende personages in het thrillergenre.’ The Birmingham Post

‘Een alomvattend meesterwerk.’ The Good Book Guide

‘Een epische geschiedenis van de Italiaanse maffia in Amerika. Meesterlijk geeft Ellory een rake analyse van de liefde, loyaliteit en obsessieve wraak, en niet in het minst een diep begrip voor la casa nostra.’ The Guardian

 

 

Boekfragment

Ik maakte mijn keus. Ik voelde me er goed bij. Hij paste bij me en ik paste bij mijn keus.

Ik wijdde mijn vak in in de eerste week van februari 1960.

In het tussenliggende jaar leefde ik het ware leven. Terwijl Cuba zich door haar groeipijnen heen sloeg, terwijl Havana zich herstelde onder het nieuwe regime, leefden Ruben Cienfuegos en ik erop los alsof er geen morgen was. We stalen en bedrogen en zwendelden vele honderden Amerikaanse dollars bij elkaar en een groot deel daarvan kwam terecht tussen de benen van hoeren, in de hals van een fles en bij de bloederige hanengevechten ’s middags, of bij de jai-alai-wedstrijden ’s avonds. We dachten dat we mannen waren; we dachten dat we ons gedroegen als echte mannen, en we voelden ons niet verantwoordelijk voor onze daden en gewetensbezwaren kenden we al helemaal niet.

Castro was premier van Cuba, el Comandante en Jefe, en in overeenstemming met zijn eigen variant van de communistische droom had hij de casino’s die Batista in handen had gehad onteigend. Hij was niet blind voor de vernietigende werking van het hedonisme dat zijn vaderland had uitgeput, en juist op de vooravond van zijn aantreden hadden de mensen van datzelfde vaderland de vele miljoenen dollars kostende hotels bestormd die ten dienste hadden gestaan van de toeristenindustrie en waarmee de familie Batista en de georganiseerde misdaad hun zakken hadden gevuld. In het centrum van Havana ontstaken de mensen in blinde woede. Ze stormden met honderden tegelijk naar de deuren van de casino’s en hotels, drongen naar binnen in de verlaten foyers met hun airconditioning en hoogpolige tapijt en begonnen vernielingen aan te richten. Binnen vonden ze roulette-, dobbel- en kaarttafels, bars en speelautomaten, waarvan de zwager van Batista er tienduizend in handen had gehad. De door de maffia gefinancierde paleizen van Batista werden vernield. Het leger en de politie bleven in hun kazernes, want de leidinggevende officieren beseften terdege dat hun eigen manschappen zich alleen maar zouden aansluiten bij het volk, en niemand deed een poging de mensen ervan te weerhouden de hotels en gokhuizen te vernielen.

Castro maakte in een van zijn eerste besluiten als nieuwe dictator een einde aan het gokken. Op het moment dat het decreet werd goedgekeurd, dat de boten die toeristen uit Florida en de Keys haalden doelloos en leeg aan de steigers en kades lagen, wist Castro al dat hij niet kon winnen. Dat geld, het geld dat als smeergeld was afgeroomd van deze zondige holen, was het kapitaal waarmee Cuba in leven was gehouden. Castro wist ook dat alleen het Syndicaat over de mensen beschikte die de casino’s en hotels winstgevend konden maken en daarom trok hij zijn decreet weer in en werd gokken opnieuw gelegaliseerd. De casino’s stonden nu onder toezicht van de staat en terwijl Batista voor elke vergunning tweehonderdvijftigduizend dollar had gerekend en nog meer onder tafel, vroeg het regime van Castro van elk casino vijfentwintigduizend dollar plus twintig procent van de winst. Hij legde vast dat alleen genaturaliseerde Cubanen mochten dienstdoen als croupier en de Amerikanen kwamen naar Cuba als ‘officiële instructeurs’. Castro nam reclamebureaus in de arm om het goede leven in Havana te promoten; de hotels werden opgeknapt en opnieuw ingericht na de vernielingen die zijn volk had aangericht op de vooravond van zijn aantreden; de toeristen kwamen terug met duizenden tegelijk en met hen de jaarlijkse inkomsten van naar verluidt meer dan vijftig miljoen dollar.

Iets langer dan twintig jaar daarvoor was een andere reeks gebeurtenissen begonnen die een van de invloedrijkste figuren uit de geschiedenis van de georganiseerde misdaad naar Havana zou brengen. In januari 1963 begon openbare aanklager Thomas E. Dewey met een serie invallen in bordelen in New York. De invallen duurden tot maart en toen werd een negentig punten tellende aanklacht ingediend tegen Charles ‘Lucky’ Luciano. Luciano vluchtte van New York naar een gokclub in Hot Springs, Arkansas, en daar werd hij ten slotte gearresteerd. Hij werd uitgewezen naar New York City en op 13 mei 1936 begon zijn proces. Op 7 juni van datzelfde jaar bevond de jury Luciano schuldig aan tweeënzestig gevallen van prostitutie en hij werd veroordeeld tot vijfendertig jaar in Dannemora Prison in de staat New York. Op 7 mei 1945 werd een verzoek tot gratie en strafvermindering ingediend bij Thomas Dewey, die inmiddels gouverneur was geworden, en Dewey stemde in met een strafvermindering. Op 3 januari 1946 verklaarde Dewey dat Luciano in vrijheid zou worden gesteld, maar naar zijn geboortegrond Sicilië zou worden gedeporteerd. Luciano werd vrijgelaten uit Great Meadow en naar Ellis Island gebracht. Daar ging hij aan boord van de Laura Keene, die het zeegat koos voor haar twee weken durende zeereis naar Genua. Tussen februari en oktober trok Luciano van zijn geboortedorp Lercara Friddi naar Palermo, vandaar naar Napels en vervolgens naar Rome. Hier bemachtigde hij twee paspoorten, en hij reisde aan boord van een vrachtschip naar Caracas in Venezuela. Hij vloog van Caracas naar Mexico City, waar hij een privévliegtuig huurde voor zijn vlucht naar Havana op Cuba. Hij bevond zich op honderdvijfenveertig kilometer van de kust van Florida, een tussenstop op de voorgenomen terugreis naar de Verenigde Staten.

In Havana werd Luciano opgevangen door zijn jeugdvriend en bondgenoot Meyer Lansky en naar het Hotel Nacional gebracht. In dat hotel organiseerden Luciano en Lansky in de derde week van december 1946 een bijeenkomst die later bekend zou worden als de Havanaconferentie. Luciano betrok een luxueus en riant huis in de buitenwijk Miramar. Lansky reisde heen en weer tussen Miami en Havana en hield Luciano op de hoogte van de voorbereidingen voor de conferentie.

Op kerstavond werd de conferentie onderbroken. Vrouwen en vriendinnen arriveerden en er werd een feest gehouden ter ere van Frank Sinatra, een veelbelovende jonge ster die met de gebroeders Fischetti was meegekomen.

De casino’s in Havana deden goede zaken, zelfs onder het regime van Castro, en Meyer Lansky, de man die Batista had aangesteld om van Cuba het oord te maken waar Amerika haar zuurverdiende miljoenen kon vergokken, verdiende die miljoenen nu voor Castro. Hij had de clubs San Souci en Montmartre gesaneerd, had belangrijke eigenaren als Norman Rothman onder druk gezet en gedwongen orde op zaken te stellen, had veel van de onbetrouwbare Amerikaanse casinodirecteuren het land uit laten zetten en voerde het gebruik in om blackjack uit een slof met zes stokken te delen, een gebruik waardoor de kans om te winnen veel groter werd voor de casino’s en vals spelen van zowel spelers als dealers werd voorkomen.

De Italianen zat het gokken in het bloed, ze waren de meest ervaren en succesvolste ondernemers in de gokwereld en hun bereidheid overheidsbeambten te betalen voor het recht hun bedrijf uit te oefenen was legendarisch. Lansky bracht de fine fleur uit Vegas, Reno en New York met zich mee. Zijn rechterhand was zijn eigen broer, Jake, die werd aangesteld als zaalmanager in het casino in het Nacional. Uit Florida kwam Santo Trafficante, die een aandeel kreeg in de Sans Souci, het Comodoro en het Capri. Joseph Silesi en de acteur George Raft kochten zich in, evenals Fat the Butch uit Westchester County in de staat New York en Thomas Jefferson McGinty uit Cleveland. Ze werden niet tegengewerkt, en zodoende ontbrak de noodzaak voor de harde tactieken die op het vasteland gebruikelijk waren. De toeristen hoefden niet bang te zijn voor verzwaarde dobbelstenen, gestoken kaarten of magneetjes onder de rouletteschijf. De bedrijfstak was zo schoon als hij maar kon zijn, en met tientallen jaren ervaring achter de rug maakte het Syndicaat van Cuba de plek waar je moest zijn. Voormannen, croupiers en tafelchefs werden overgevaren vanuit de Verenigde Staten en leerden de Cubaanse croupiers en casinomedewerkers het vak. Toen Castro het gokken verbood, waren de toeristen naar het La Concha Hotel in San Juan en het Arawak Hotel op Jamaica vertrokken, maar na zijn ommekeer kwamen ze terug, en met die wereld kregen Ruben en ik begin 1960 onbewust te maken.

De truc haalden we nog steeds uit, de truc met het ‘vogeltje’ voor de homoseksuele zakenlui en biseksuele Cubanen, en terwijl Fidel Castro Ruz pogingen deed bij de Sovjet-Unie in de gunst te komen, terwijl hij de aanzet gaf tot overeenkomsten voor de aanschaf van Russische olie, terwijl hij spanningen met de Verenigde Staten veroorzaakte door Amerikaanse eigendommen te confisqueren en daar onvoldoende compensatie voor te geven, waren Ruben en ik druk bezig ons te onderscheiden en onze eigen dobbelstenen te verzwaren.

Het was op een vrijdagavond, 5 februari, en het was Rubens idee om naar de parkeerplaats achter het Nacional te gaan om te zien of er wat te doen was. Het was nieuw terrein, maar Ruben had gehoord dat de klanten daar bereid waren meer dan twintig dollar per keer te betalen om hun ballen geleegd te krijgen door een jonge Cubaanse spetter. Als ze al zoveel bij zich hadden om zich te laten pijpen, zei Ruben, hoeveel geld hadden ze dan wel niet in hun zak gestopt toen ze van huis gingen voor een avondje uit?

 Ik was tweeëntwintig jaar oud, ik leek niet ouder dan achttien of negentien, en toen ik van de auto naar de rand van het parkeerterrein liep, toen ik gekleed in een witte linnen broek, een wijdvallend ivoorkleurig overhemd en bootschoenen van canvas tegen het hek tussen het parkeerterrein en de stoep leunde, toen ik mijn sigaret opstak en het haar uit mijn ogen schudde, wist ik wel dat niet veel van die oude knakkers me zouden kunnen weerstaan. Het was toneelspel, komedie, een gezicht dat ik droeg voor de wereld, en ik droeg het goed. Alsof het mijn vak was.

De auto die naast me tot stilstand kwam, was een bordeauxrode Mercury Turnpike Cruiser, een hardtop, en toen ik zag hoe het zijdeachtige lakwerk glom, toen ik zag hoe de chromen bumpers en wieldoppen honderden lichtjes uit het Nacional achter me weerkaatsten, wist ik dat ik raak had geschoten.

De bestuurder was geen Cubaan. Zijn manier van doen, zijn stem, zijn kleding – uit alles bleek me dat hij een Italiaan was. Hij glimlachte breed. Hij knipoogde. Hij zei: ‘Hé, hallo,’ vroeg of ik op iemand in het bijzonder wachtte, of ik misschien zin had in een ritje.

‘Over wat voor ritje hebben we het dan?’ vroeg ik hem.

‘Maakt niet uit. Wat je wilt,’ zei hij.

‘Het soort ritje dat twintig dollar oplevert soms?’ vroeg ik.

‘Misschien,’ zei de man en opnieuw glimlachte hij en daarna knipoogde hij, en ik liep om de achterkant van de auto heen en stapte in aan de passagierskant.

‘Ik heb ergens een huisje,’ zei de man, en toen legde hij zijn hand op mijn knie.

Ik drukte mezelf tegen de stoel en op mijn rug tussen de band van mijn broek voelde ik het heft van mijn mes. Ik glimlachte bij mezelf. Hij was geen grote man. Hij ging te goed gekleed voor een huurmoordenaar van de maffia. Ging goed genoeg gekleed om een aardig stapeltje bankbiljetten bij zich te hebben voor zijn avondje uit.
‘Waar gaan we heen?’ vroeg ik.

‘Dat zie je wel als we er zijn,’ zei hij en ik zag hoe zijn handen verkrampten om het stuur. Hij had een trouwring om, een gladde gouden ring, en ik vroeg me af waar zijn vrouw was, wat zijn kinderen op dat moment aan het doen waren, en ik vroeg me af hoe die zieke klootzakken toch op het idee kwamen dat er nooit een avond zou komen dat ze gepakt zouden worden voor wat ze deden.

We reden niet meer dan een minuut of vijf en toen gingen we linksaf de inrit van een motel in. Ik voelde de spanning in elke pees, elke zenuw, voelde dat de spieren aan de achterkant van mijn benen en mijn schouders zich spanden. Ik was bang, dat kan ik niet ontkennen, maar ik was ook opgewonden. Hoe vaak we deze truc hadden uitgehaald, kon ik me niet herinneren, en de ervaring had geleerd dat ik het alleen kon. Ruben was ergens in de buurt van het Nacional; daar zou hij op me wachten, wachten tot ik terugkeerde met alle dollars die ik deze klant afhandig kon maken, en dan zouden we gaan feesten. Angst stond aan mijn kant. Zo eenvoudig was het. Deze mannen waren bang dat ze werden betrapt, bang dat er iets zou worden gezegd, bang dat bekend werd wat ze waren, en die angst leidde er niet alleen toe dat ze zich gewonnen gaven als ze tegenover een jongeman met een mes kwamen te staan, maar ook dat ze niemand vertelden wat er was gebeurd. Waar moesten ze heen? Bij wie konden ze terecht? Bij de politie? Hun relaties in de maffia? Dat dacht ik niet.

De man parkeerde de auto achter een houten huisje dat bij het motel hoorde. Hij zette de motor af, trok de sleuteltjes uit het contact en stopte ze in de zak van zijn colbert, en voor hij uitstapte, bood hij me een sigaret aan uit een gouden sigarettenkoker. Ik nam er een en de man stak hem voor me aan en nam er zelf ook een. Ik liep met hem mee van de auto naar de voordeur van het huisje. Met dezelfde sleutelbos haalde hij de deur van het slot. Hij deed een stap opzij om me naar binnen te laten gaan en kwam achter me aan. Het was een eenvoudig ingerichte kamer, met zachte verlichting. Voor me stonden een lits-jumeaux en een kaptafel met een ovale spiegel, en rechts van me een diepe fauteuil voor een tafeltje met een tv.

De man trok zijn colbert uit. ‘Hoe moet ik je noemen?’ vroeg hij.

Ik haalde mijn schouders op. ‘Hoe u wilt,’ antwoordde ik.

‘Francisco,’ zei hij op zakelijke toon. ‘Ik noem je Francisco.’

Ik knikte, maar inwendig lachte ik. Ik dacht aan de komende vijf minuten, en misschien de vijf minuten daarna, en hoeveel geld ik dit huisje uit zou dragen en de nacht die zou volgen.

‘Hoe moet ik u noemen?’ vroeg ik.

De man glimlachte. ‘Noem jij me maar “papa”,’ zei hij zacht.

Op dat moment werd ik misselijk. Ik kon me nauwelijks voorstellen wat voor krankzinnige klootzak zoiets zou vragen. Ik wilde hem ter plekke door het hart steken. Ik wilde hem op zijn knieën dwingen en hem om zijn leven laten smeken voor ik mijn mes door zijn oog stak. Ik wilde hem laten boeten voor al die keren dat hij dit waarschijnlijk al had gedaan.

En toen dacht ik aan mijn eigen vader, de uitdrukking op zijn gezicht als hij na een avond vechten de deur binnenwankelde, de donkere en emotieloze dwaallichtogen waarmee hij naar mijn moeder keek. Ze waren allemaal eender, die mensen. Hoe ze heetten, waar ze vandaan kwamen – het maakte niet uit. Die schoften waren allemaal hetzelfde.
De man schopte zijn schoenen uit, knoopte zijn broek los en liet hem op de grond zakken. Daar stond hij dan op zijn sokken in zijn onderbroek, en toen trok hij zijn das los en deed zijn overhemd uit.
Ik keek naar zijn gezicht. Hij had diezelfde lege holle blik. De blik die mijn moeder altijd zo bang maakte.
Ik zag hoe zijn erectie zich uit het midden van zijn lichaam omhoogworstelde, en toen hij zijn onderbroek omlaagschoof en hem op zijn enkels liet zakken, toen hij zijn eigen pik begon te masseren tot deze rechtop stond, toen hij naar mij keek en glimlachte en zijn mond opendeed en zei: ‘Kom eens bij papa, Francisco... Kom je papa eens verwennen...’ kon ik me er bijna niet toe zetten een stap in zijn richting te doen.
Walging voelde ik vanbinnen, walging en boosheid en haat jegens hem en zijn soort. Ik ging met mijn rechterhand langzaam naar de achterkant van mijn broek, ik voelde het heft van het mes tussen mijn vingers, en op het moment dat ik voor hem stond, op het moment dat hij zijn hand op mijn schouder legde, dat ik de druk voelde die hij uitoefende om me op mijn knieën te krijgen zodat hij zijn lul in mijn mond kon duwen, herinnerde ik me die nacht op het strand in Florida, de prijs die ik had betaald voor mijn reis naar Havana.
Ik was snel, sneller dan zijn oog kon volgen, en als een wervelwind bracht ik het mes met mijn stevig dicht geklemde rechterhand naar voren en stak het in zijn ballen.
Zijn ogen werden groot, plots, onverwachts, zijn lichaam kromde zich instinctief, een snelle en heftige verstijving waardoor hij met een klap tegen de kaptafel viel, en vervolgens op de grond toen hij probeerde weg te komen. Ik voelde dat de handen van de man mijn middel vastgrepen, mijn schouders, de bovenkant van mijn benen, voelde ze verslappen toen ik het lemmet eruit trok en nogmaals toestak, nu in de zijkant van zijn hals. Hij deed zijn mond open om te schreeuwen, maar zijn mond was al vol van de smaak van bloed, zijn neusgaten van de geur van zweet. En toen kon hij geen adem krijgen omdat zijn keel volliep, kon hij niet denken, en door de onophoudelijke draaiende beweging van het staal in zijn hals verschenen er heldere grijze en rode vlekken voor zijn ogen. Hij verzette zich, schopte met zijn benen, sloeg zijn ellebogen uit, maar ik greep hem stevig bij zijn keel en ik verstevigde mijn greep totdat hij wist dat hij zou stikken.
Beelden tegen zijn gezicht, pal tegen hem aan alsof ze naar binnen wilden dringen. Zijn ademhaling stopte, hij probeerde iets te zeggen, kokhalsde, zijn ogen vulden zich met water, met pijn, met kleuren, zijn oren tuitten, van de druk, het meedogenloze geweld van elke fragmentarische maniakale seconde. Hij kon zich niet bewegen, en toen nam ik het moment waar dat hij besefte dat zijn lichaam het opgaf, en op dat moment van nerveuze verslapping duwde ik hem terug op de grond.
Ik doorstak zijn keel nog een keer met één snelle en stille zwaai van het mes. Hij voelde de laatste vochtige warmte van zijn leven achter in zijn keel, op de bovenkant van zijn borst stromen, voelde hoe zijn hart alles wat in hem zat ophoestte en prijsgaf aan de wereld, aan deze plek, deze donkere en holle kamer, de vreemde waanzinnige ogen die zich van alle kanten om hem verdrongen.
Zijn lichaam sidderde heftig, er gingen onophoudelijk snelle schokken door hem heen, en uit zijn keel spoten rode stralen die puntige strepen trokken over zijn borst, over het tapijt, zijn buik, de voorkant van de kaptafel. Ik keek op hem neer terwijl hij door spasme na spasme van onwillig sterven rock-’n-rollde, terwijl hij sidderde en klauwde en zijn rug hol trok van de met bloed doorweekte vloerbedekking af.
Ik hield mijn handen voor mijn oren, ik beet op mijn onderlip tot ik ook bloed proefde, en toen zakte hij ineen.
Roerloos en stil.
Alsof iemand hem had laten leeglopen.
Zijn hand zwaaide opzij en plofte tegen mijn knie. Daar bleef hij liggen, hij drukte tegen mijn eigen bezwete been, en een paar tellen lang kon ik er alleen maar naar kijken, naar de met bloed bedekte vingers, hoe ze beschuldigend opkrulden, naar mij wezen, naar de strakheid van de huid, de gemanicuurde en glanzend gepoetste nagels, de lijnen in zijn handpalm – hartlijnen, liefdeslijnen, levenslijnen...
Ik verplaatste mijn been en de hand viel geluidloos op het tapijt.
Ergens sloeg een hond aan en er reed een auto voorbij in de straat, het strijkende licht van koplampen dat alles een fractie van een seconde zichtbaar maakte en toen in de nacht verdween.
Het was stil op mijn eigen moeizame ademhaling na, het geluid van iets wat zich in mijn borst vormde, het geluid van een geweldige emotionele ontlading toen ik in ogenschouw nam wat ik had gedaan.
Condens trok zijn sporen aan de binnenkant van de ramen. Ik rook sigarenrook, oud en bitter, de scherpe geur van goedkope alcohol, van dieselwijn gestookt in benzineblikken en olievaten, het drankhol van lange nachten, braken, kokhalzen tot het niet-zijn, tot blinde domme wijsheid, de gedachte dat het leven op de bodem van een fles of tussen de dijen van een hoer begint. Aan die geur zou ik herinnerd worden bijna veertig jaar later, op een warme avond in Chalmette, in het hart van New Orleans.
Ik zweefde ergens in de lucht, ergens buiten mezelf en ik keek omlaag. Daarboven was Aix-La-Chapelle tot Cantharel, Canticum tot Equatie, Evenaar tot Heraclitus, Heraldiek tot Kansas, Kant tot Marciano, Marconi tot Ordovicium, Oregon tot Rameau, Ramses tot ufo, Unificatietheorie tot Zürich. Daarboven was wijsheid, de wezenlijke kern. Wie was ik werkelijk? Het kind van een mindere God? Ik meende van niet. Eerder een God uit een minder kind.
Ik leunde achteruit op mijn hurken en haalde diep adem. Ik sloot mijn ogen en concentreerde me. Wat ik had gedaan, lag recht voor mijn neus. Wat ik had gedaan, was onuitwisbaar op het tapijt, op de kaptafel, op de achterwand van het huisje geschilderd. Ik dacht aan allen die hier vóór mij waren geweest en ik stelde mezelf de vraag of er geen gerechtigheid was gedaan.
Ik glimlachte.
Oog om oog.
Ik had dit gedaan. Ik had dit laten gebeuren. Was ik nu niet iemand? Ongetwijfeld; ik was ongetwijfeld iets wat heel veel anderen niet konden zijn. Ik was Ernesto Cabrera Perez, een man die in staat was andere mensen te doden, een getalenteerde man, een gevaarlijke man. Ik was een bijzonder iemand.
Ik haalde diep adem. Ik was duizelig, een beetje misselijk. Ik hief mijn handen en keek naar het bloed dat opdroogde op mijn huid. Ik voelde het trekken en toen ik mijn vuisten balde, meende ik dat ik het bloed kon horen kraken en barsten in de poriën en plooien van mijn vingers. Ik draaide ze om. Dit waren de handen die mijn moeder hadden opgetild als ze niet zelf kon lopen. Dit waren de handen die me hadden verdedigd tegen de ranselende vuisten van mijn vader.
Ik was bang. Ik vroeg me af wat er in me zat dat mij in staat stelde deze dingen te doen.
Ik keek in het niets – in een afgrond, een leegte – en toen ik mijn ogen sloot, voelde ik dat de duizeligheid en desoriëntatie toenamen. Ik opende mijn ogen en rilde. Ik wilde niet weten wat het was.
Ik stond op, trok mijn kleren uit en liep snel naar de kleine aangrenzende badkamer om het bloed van mijn handen te wassen.
Ik trok het overhemd en het pak van de man aan, stak mijn voeten in zijn schoenen, vouwde mijn eigen kleren op en maakte er een bal van. In de binnenzak van zijn jasje vond ik de autosleutels. In de andere zak vond ik een stapel bankbiljetten van bijna duizend Amerikaanse dollars. Ik keek nogmaals omlaag en met als enig doel de man nog verder te vernederen stampte ik met mijn rechtervoet hard op zijn gezicht.
Ik draaide me om en liep naar de deur van de kamer. Ik keek nog één keer achterom.
‘Welterusten, papa,’ fluisterde ik en daarop liep ik de nacht in.
Ik stapte in de auto, startte de motor en reed naar de stad, een stad die alleen bekend was bij hen die daar woonden, een stad die onwetend was en de komende paar uur onwetend zou blijven.

 

 

 


Nieuws

30 augustus 2010

Appie Baantjer, alias De C.o.c.k., is niet meer

Op zondag 29 augustus is, na een kortstondig ziekbed, schrijver en oud-rechercheur Albert Cornelis (Appie) Baantjer overleden. Appie Baantjer is 86 jaar geworden.

19 augustus 2010

Monique Moossdorff 1964-2010

In de nacht van 12 op 13 augustus is tot ons groot verdriet en geheel onverwacht onze allerliefste, daadkrachtige collega Monique Moossdorff overleden. Monique was 46 jaar. Haar dood is niet alleen een groot verlies voor De Fontein|Tirion, maar voor het hele boekenvak.

26 juli 2010

R.J. Ellory wint 'Crime Novel Of The Year'

Zijn thriller A SIMPLE ACT OF VIOLENCE is op het Crime Festival van Harrogate op 22 juli 2010 gekozen tot Crime Novel Of The Year.

De lezer van dit boek leest ook…